Vandaag ben ik met Vanna naar een boeddhistische bijeenkomst geweest, een kilometer of 10 vanaf ons dorp.
Elke gemeenschap hier in Cambodja heeft een eigen pagoda, met zijn eigen gebedsruimte, zijn eigen monniken en zijn eigen kerkhof.
In Europa is dat natuurlijk niet zoveel anders, ook daar heeft elk dorp zijn eigen kerk, gemeenschapshuis en kerkhof, alleen moet men het daar doen met één, hooguit twee priesters.
Hier wonen rondom elke pagoda minstens een dozijn monniken.
Monniken voorzien in hun levensonderhoud door zich te verhuren bij allerlei persoonlijke evenementen als een “house warming”, een huwelijk, de begeleiding naar het overlijden en natuurlijk het overlijden zelf, herdenkingen….etc.

Voedsel vergaren ze door rondom een uur of 10 in de ochtend (lunchtijd voor de dorpelingen) langs de huizen in het dorp te lopen en daar eten te vragen in ruil voor een paar mantra’s. Daar hoeven ze nooit het hele dorp voor door en nee wordt er nooit gezegd.
Het is een eer om monnik te zijn en zonen van dorpsgenoten (vaak al op zeer jonge leeftijd) die besluiten om monnik te worden geven aanzien aan de familie die daar dan ook zeer trots op is.
Persoonlijk vind ik het verkeerd als een geloof of leer jongens en mannen het biologische recht ontzegt om het andere geslacht voor zich te winnen. Daar komen mijns inziens alleen maar problemen van (daar weet het katholicisme tegenwoordig alles van af).
Maar monnik hoef je niet perse te blijven, je gaat zo’n verbintenis niet aan voor het leven.
Monniken doorgaan allerlei fasen, en streven er naar om uiteindelijk “Boeddha” te worden, maar die laatste fase bereiken er maar zeer weinig. Hiervoor is het onder andere nodig dat alle persoonlijke verlangens (ook de seksuele) volledig uitgeband worden, en uiteraard is dat geen gemakkelijke opgave, zeker niet voor een puberende jongen, vandaar dat er rond die leeftijd nogal wat afhakers zijn.
Nu even terug naar de door mij bezochte bijeenkomst….
Elk jaar, aan het begin van de regentijd sluiten alle monniken zich in op hun pagoda terrein. In die periode wordt er in de dorpen ook niet getrouwd en worden er geen huizen ingewijd. Alleen voor sterfgevallen wordt er dan natuurlijk een uitzondering gemaakt.
Maar monniken moeten natuurlijk wel eten en drinken.
Vandaar dat er in die periode bijeenkomsten worden georganiseerd die steeds in een ander dorp plaats vinden.
Om de dag komen dan keurig uitgedoste Boeddhisten uit de omgeving, voorzien van voedsel (en vaak wat geld) met taxibusjes naar het dorp dat aan de beurt is.

Daar wordt iedereen ontvangen in de gebedsruimte, waar er vervolgens gezellig wordt gekletst en thee gedronken tot iedereen aanwezig is.

Ook wordt er eten klaar gezet voor de monniken die later zullen komen.
Als iedereen zit, wordt er een traditioneel lied gezongen (ik kon niet zien of dat “live” was of van een bandje, maar mooi was het zeker.

Na het lied komen de monniken binnen die gaan zitten op speciale plekken waar eten en drinken voor ze klaar staan, en starten ze gezamenlijk met de mantra’s. Iedereen (die de teksten kent) doet daaraan mee, en dit houden ze minstens een half uur vol, waarbij er regelmatig met de handen tegen elkaar naar de grond wordt gebogen, als een soort “amen”.
Als alles afgerond is proberen sommige aanwezigen nog een persoonlijke “zegen” van een monnik te krijgen en gaat vervolgens iedereen terug naar de busjes die de mensen weer thuis brengt.
Over twee dagen gaan we weer ergens anders heen, hoewel één keer voor mij wel voldoende is.